Landschapsveranderingen
Door menselijk handelen verandert het landschap op allerlei manieren. Denk aan het ophogen van grond voor een nieuwe weg, het afgraven van zand voor een bouwproject of belasting van de ondergrond door zware materialen. Ook door natuurlijke processen zoals erosie (het wegspoelen of wegwaaien van gronddeeltjes) kan het landschap veranderen.
Ophoging, afgraving, erosie en belasting
In Nederland verandert het landschap voortdurend, door:
- Ophoging (1) van de bodem met bijvoorbeeld zand om een weg, dijk of bouwterrein te maken.
- Afgraving (2), zoals bij zand- of kleiwinning, of het uitdiepen (baggeren) van sloten of plassen.
- Erosie (3), een natuurlijk proces waarbij gronddeeltjes losraken en worden verplaatst door water of wind. Ook mensen kunnen erosie versterken, bijvoorbeeld door het verwijderen van begroeiing of bebossing op een heuvel. Hierdoor wordt de bodem minder goed vastgehouden en kunnen gronddeeltjes los komen.
- Belasting (4) van de ondergrond, bijvoorbeeld door zware machines of tijdelijke opslag van bouwmaterialen.
Al deze factoren bij landschapsveranderingen kunnen ervoor zorgen dat het bodemoppervlak daalt of stijgt, afhankelijk van de eigenschappen van de bodem, de menselijke ingrepen en de natuurlijke omstandigheden.
Landschapsveranderingen zoals ophoging (1), afgraving (2), Erosie (3) en belasting (4) kunnen leiden tot bodemdaling of bodemstijging [illustratie niet op schaal].
Bodemdaling en bodemstijging door landschapsveranderingen
(1) Ophoging en zetting
Wanneer een gebied wordt opgehoogd met materiaal zoals zand, stijgt het maaiveld direct. Door het gewicht van deze nieuwe grond wordt de bestaande ondergrond samengedrukt, waardoor deze krimpt (5). Dit proces wordt ook wel zetting genoemd: een daling van het oorspronkelijke grondoppervlak. Hoe meer of zwaarder materiaal wordt gebruikt voor de ophoging en hoe slapper de bodem is, hoe groter dit effect zal zijn.
(2) Afgraven van grond
Afgravingen verlagen direct het maaiveld (het oppervlak van de bodem) omdat er materiaal wordt weggehaald. Door deze verlaging van het maaiveld, kan dit worden gezien als een vorm van bodemdaling.
Vaak moet tijdens het afgraven van grond het grondwaterpeil worden verlaagd om droog en veilig te kunnen werken. Dit gebeurt door bemaling: via putten of drains wordt grondwater uit de ondergrond gehaald. Dit kan in omliggende gebieden leiden tot daling van de grondwaterspiegel en verlaging van grondwaterstanden (6). Wanneer dit in veen- of kleigronden plaatsvindt, of wanneer omliggende gebieden uit veen of klei bestaan, kan dit daar veenoxidatie en krimp veroorzaken, wat vervolgens leidt tot extra bodemdaling.
(3) Erosie
Erosie, het langzaam verdwijnen van grond en gronddeeltjes, is een natuurlijk proces waarbij grond door bijvoorbeeld stromend (regen)water of wind wordt meegenomen (3). Dit kan bijna overal gebeuren, maar komt vooral voor waar de grond minder goed wordt vastgehouden; op hellingen, kale bodems of plekken zonder begroeiing bijvoorbeeld.
Voorbeelden van erosie:
- Regen spoelt losse grond van bouwterreinen of landbouwpercelen af. Dit gebeurt bijvoorbeeld op de hellingen van heuvels in Limburg.
- Wind blaast droog zand weg in open gebieden met geen of weinig beplanting, zoals in de duinen.
- Stromend water in uiterwaarden (land tussen een rivier en de dijk) of langs oevers van rivieren en beken, ‘knabbelt’ grond en gronddeeltjes weg. Hierdoor daalt het maaiveld geleidelijk.
Erosie kan versneld optreden als beschermende vegetatie (begroeiing) is verwijderd of bij intensief grondgebruik. Erosie verlaagt het grondoppervlak waar de grond verdwijnt en kan , daar waar de grond terecht komt het grondoppervlak verhogen.
(4) Belasting
Bij grondwerkzaamheden worden vaak zware voertuigen gebruikt (4). Deze kunnen de bodem tijdelijk of blijvend samendrukken. De bodem wordt daardoor compacter en laat minder water door. Vooral in vochtige en slappe grondsoorten kan dit leiden tot bodemdaling en erosie.
Gevolgen en variatie in effecten
De effecten van deze menselijke activiteiten en natuurlijke processen zijn meestal lokaal, maar kunnen ook invloed hebben op het omliggende gebied. De ondergrond van omliggende gebieden reageert niet overal hetzelfde:
- Veen- en kleigronden zijn gevoelig voor uitdroging en zetting, maar minder voor erosie.
- Lössgronden (fijne grond die door de wind is afgezet in de ijstijd) komen in Nederland voornamelijk voor in Zuid-Limburg en zijn erg gevoelig voor erosie door wind en water.
- Zandgronden zijn over het algemeen stabieler, maar doordat ze uit losse korrels bestaan, kan zand makkelijker wegwaaien of wegspoelen.
- Duinen en kustgebieden zijn erg gevoelig voor erosie door water en wind.
- In gebieden met gemengde grondsoorten kan het grondoppervlak ongelijk zakken, wat tot schade aan gebouwen en infrastructuur kan leiden.
Wat wordt gedaan om bodemdaling door landschapsveranderingen te beperken?
- Bij ophogingen wordt vaak gewacht tot de ondergrond is ‘gezet’ (de bodemdaling is dan grotendeels uitgewerkt) voordat er bijvoorbeeld gebouwd wordt.
- Rond werkterreinen waar bemaling plaatsvindt, wordt het onttrokken grondwater soms verderop weer in de ondergrond teruggebracht.
- Grond wordt beschermd tegen erosie door beplanting, bodembedekkers of afdekking van zandhopen.
- Er worden rijplaten gebruikt om de bodem te beschermen tegen zware machines.
In een oogopslag alle oorzaken zien?
We hebben alle oorzaken van bodemdaling en -stijging voor je in kaart gebracht.