Omgevingswet
De Omgevingswet is de basiswet voor alles wat met de leefomgeving (de ruimte waarin we wonen, werken en rusten) te maken heeft. Deze wet geeft onder andere aan welke regels er gelden voor het gebruik van de ondiepe ondergrond, tot een diepte van ongeveer 100 meter onder het aardoppervlak. Hieronder vallen activiteiten zoals het onttrekken van grondwater en het opsporen en winnen van stoffen zoals grind, zand, klei en veen. Ook bodemenergiesystemen voor het winnen of opslaan van warmte of koude vallen onder de Omgevingswet, tot een diepte van 500 meter.
Bodemdaling en bodemstijging in de Omgevingswet
Bodemdaling en bodemstijging worden niet letterlijk in de Omgevingswet genoemd. Met de omgevingswet in de hand kunnen gemeenten en provincies beleidsplannen voor de leefomgeving maken. Via het omgevingsplan kunnen zij maatregelen nemen ter beperking van (de gevolgen van) bodemdaling of bodemstijging, voor zover deze niet voortkomen uit activiteiten in de ondergrond die onder de Mijnbouwwet vallen.
De uitvoering van het omgevingsbeleid is verdeeld over verschillende overheden: nationaal (landelijk), regionaal en lokaal. Op de pagina 'Meer informatie' zijn relevante hyperlinks opgenomen naar de Omgevingswet en onderliggende besluiten en regelingen.
Omgevingsbeleid: maatregelen bij bodemdaling en bodemstijging
Bodemdaling krijgt aandacht in omgevingsbeleid, omdat het in Nederland op veel plaatsen voorkomt en grote gevolgen heeft voor onder andere waterbeheer, wegen, gebouwen en funderingen. Het is een belangrijk onderwerp in landelijke programma’s zoals het Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater, en de Nationale Aanpak Funderingsproblematiek.
Bodemstijging komt minder vaak voor. Het speelt bijvoorbeeld in Limburg waar de bodem op sommige plekken stijgt na eerdere daling door steenkoolmijnbouw. In landelijke regels en beleid krijgt bodemstijging minder aandacht, maar decentrale overheden kunnen er wel rekening mee houden in hun eigen plannen.
Activiteiten in de ondiepe ondergrond die bodemdaling en bodemstijging veroorzaken
Er zijn vier directe oorzaken van bodemdaling en bodemstijging door activiteiten in de ondiepe ondergrond te benoemen:
- Afbraak van veen bij lage grondwaterstanden (veenoxidatie).
- Krimpen en opzwellen van klei. Bij droogte krimpt klei, wat leidt tot bodemdaling. Als de klei weer nat wordt, dan zwelt het op (krimpen en opzwellen van klei).
- Samendrukking van veen en klei door verlagen van de grondwaterdruk, bijvoorbeeld door grondwateronttrekking.
- Samendrukking van veen en klei door extra belasting van opgebrachte grond, bijvoorbeeld door ophoging met zand bij bouwprojecten. (Opgebrachte grond is grond die ergens anders vandaan komt, en door mensen is aangevoerd en neergelegd, zoals zand van een bouwplaats. Deze vorm van bodemdaling door landschapsverandering komt vooral voor in de gebouwde omgeving.)
Deze oorzaken zijn sterk afhankelijk van het lokale grondwaterpeil. Klimaatverandering speelt hierin onder andere een belangrijke rol. Langere droge periodes bijvoorbeeld, zorgen er voor dat het grondwaterpeil daalt, wat het proces van bodemdaling kan versnellen. Ook het beheer van het grondwaterpeil door waterschappen kan bodemdaling veroorzaken of versterken. Een voorbeeld is het verlagen van het grondwaterpeil om vernatting van landbouwgebieden te voorkomen,
De bevoegdheid voor het vaststellen van het grondwaterpeil ligt bij het waterschapsbestuur; zij bepalen hoe hoog of hoe laag het is. Gemeenten en provincies hebben invloed op het grondwaterpeil, maar niet direct. Gemeentelijke of provinciale keuzes over hoe een gebied wordt ontwikkeld, ingericht of veranderd, kunnen het waterschap beïnvloeden bij het bepalen van het gewenste grondwaterpeil. Deze keuzes worden vastgelegd in omgevingsplannen of uitvoeringsplannen van gemeenten of provincies. De Omgevingswet vormt hiervoor de basis.
Restzettingseis in de gebouwde omgeving
In gebieden met een slappe bodem, zoals veen en klei, geldt in de gebouwde omgeving de zogenaamde restzettingseis. Dit is een lokale technische norm die aangeeft hoeveel de bodem nog mag zakken na oplevering van bijvoorbeeld een gebouw of een weg. De restzettingseis is bedoeld om schade aan gebouwen, wegen, leidingen en riolering te voorkomen.
‘Zetting’ is het inklinken of verzakken van de bodem, waardoor een gebouw of een ander bouwdeel lager komt te liggen ten opzichte van de omgeving. Dit gebeurt vaak door het gewicht van gebouwen of door verlaging van het grondwaterpeil (zoals bij oorzaken 3 en 4 hierboven). De restzettingseis kan lokaal in beleid worden opgenomen. Op de pagina ‘Meer informatie’ lees je hoe bijvoorbeeld gemeenten Woerden en Oudewater deze eis in de praktijk toepassen.
Schade in relatie tot de Omgevingswet
De dikte en samenstelling van klei- en veenlagen in de ondergrond verschilt van plek tot plek. Daarom is bodemdaling door veenoxidatie en door het krimpen van klei vaak ongelijkmatig en kan het schade aan huizen, tuinen, wegen en landbouwgronden veroorzaken.
De Omgevingswet geeft overheden verschillende hulpmiddelen (“beleidsinstrumenten”) om beleid te maken en uit te voeren, waarmee ze maatregelen kunnen nemen om bodemdaling of bodemstijging te beperken of te voorkomen. De Omgevingswet bevat echter geen speciale regeling voor schadevergoeding bij schade door bodemdaling of bodemstijging.
Bij schade als gevolg van waterhuishoudkundige maatregelen, zoals grondwaterpeilbeheer of ontwatering, kan onder bepaalde voorwaarden en in sommige gevallen een beroep worden gedaan op nadeelcompensatie. Dit is alleen mogelijk als de schade het gevolg is van een rechtmatig overheidsbesluit én onevenredig is ten opzichte van het normaal maatschappelijk risico. Meer hierover staat beschreven op de pagina 'Meer informatie'.
Voor schade door bodemdaling veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten is de Mijnbouwwet van toepassing. Lees hier meer over op de pagina over de Mijnbouwwet.
Terug naar Beleid en regelgeving?
Ga naar de startpagina over hoe beleid en regelgeving rond bodemdaling en bodemstijging is georganiseerd in Nederland.