Veelgestelde vragen
Bodemdaling betekent dat het aardoppervlak langzaam zakt. Bodemstijging is het tegenovergestelde: het aardoppervlak komt langzaam omhoog.
Zowel bodemdaling als bodemstijging kan op kleine schaal (een verzakte stoep), op grotere schaal (een deel van een tuin dat verzakt) of op grote schaal (de bodem van een gebied daalt) gebeuren. Bodemdaling en bodemstijging in Nederland worden veroorzaakt door natuurlijke processen, (geologische) omstandigheden in de ondergrond, maar voornamelijk door menselijk handelen.
De afbeelding op de hoofdpagina van deze website toont de oorzaken die zowel bodemdaling als bodemstijging veroorzaken. Deze oorzaken kunnen elkaar ook onderling beïnvloeden en zelfs versterken. Dit leggen we uit met de animatie die je onder de afbeelding op de hoofdpagina kunt bekijken.
Er zijn verschillende manieren om te meten of en hoeveel de hoogte van de bodem (het aardoppervlak) verandert. Een veelgebruikte methode is meten ten opzichte van het Nationaal Amsterdams Peil (NAP), het officiële referentiepunt voor hoogtes in Nederland.
Dit gebeurt bijvoorbeeld met landmeters, die vaststellen hoeveel lager of hoger een locatie ligt ten opzichte van het NAP. Ook satellieten kunnen bodemdaling of bodemstijging meten, door te kijken naar de hoogte van een plek ten opzichte van het middelpunt van de aarde.
Omdat elke meetmethode een andere referentie gebruikt, kunnen de resultaten verschillen, zelfs als ze op dezelfde plek worden toegepast. Dat is juist nuttig, want zo krijgen we een completer beeld. Soms willen we weten hoeveel de bodem daalt of stijgt door één specifieke oorzaak, zoals gaswinning. Verschillende meetmethoden samen geven dan meer inzicht.
Op één plek spelen meestal meerdere oorzaken tegelijk een rol. Daardoor is het lastig om precies vast te stellen welke oorzaak verantwoordelijk is voor de verandering van de hoogte van de bodem.
Nee, bodemdaling stopt meestal niet meteen als de winning van delfstoffen of aardwarmte uit de diepe ondergrond wordt beëindigd. Ook daarna kan de bodem nog jarenlang langzaam blijven dalen. Dit kan soms nog tientallen jaren duren.
Door het winnen van delfstoffen of aardwarmte verandert de ondergrond. Tegelijkertijd ontstaat er in de ondergrond een nieuwe balans. Dit verloopt heel geleidelijk. Totdat een nieuw evenwicht is bereikt, zal de bodemdaling voortduren, ook nadat de winning van delfstoffen of aardwarmte (de activiteit in de ondergrond) is beëindigd. Hoe de nieuwe balans tot stand komt, verschilt afhankelijk van de winning:
- Gaswinning: de druk in het gesteente daalt, waardoor het gesteente een beetje inzakt. Dit gaat na het stoppen van de gaswinning nog een tijd door.
- Zoutwinning: de zoutcavernes die door zoutwinning in de ondergrond ontstaan, worden langzaam in elkaar gedrukt; ze krimpen. Nadat de zoutwinning is beëindigd blijft dit krimpen nog een aantal jaren doorgaan.
- Aardwarmtewinning: het afgekoelde water dat weer terug in de ondergrond wordt gepompt warmt weer langzaam op en stroomt door de ondergrond. Deze temperatuursveranderingen en stroming hebben een heel klein effect op de hoogte van de bodem.
Het soort winning (zie opsomming hierboven), de diepte van de winning en de eigenschappen van de ondergrond bepalen hoeveel bodemdaling er optreedt en hoe lang dit doorgaat nadat de winning is gestopt. De bodemdaling na het beëindigen van de winning is vrijwel altijd aanzienlijk kleiner dan tijdens de actieve winningsperiode.
Bij het winnen van aardgas uit de ondergrond zakt de bodem langzaam. Dit komt doordat gas uit gesteentelagen in de diepe ondergrond wordt gehaald. Hierdoor daalt de druk in het gesteente, waardoor het door het gewicht van alle bovenliggende lagen wordt samengedrukt. Het gesteente waaruit het aardgas is gewonnen ‘zakt’ als het ware een beetje in elkaar.
In de Nederlandse ondergrond liggen veel kleine gasvelden naast één heel groot veld: het Groningen gasveld. Dit gasveld strekt zich uit onder een groot deel van de provincie Groningen. Tijdens de gaswinning is daar bodemdaling opgetreden. Zelfs nu het Groningen gasveld in principe gesloten is, blijft de bodem nog langzaam dalen. Dat komt omdat er in de ondergrond een nieuwe balans ontstaat als gevolg van de gaswinning. Dit proces naar een nieuw evenwicht in de ondergrond gaat ook na het stoppen van de gaswinning door.
Het Groningen gasveld is groter dan andere gasvelden in Nederland. Toch is de bodemdaling door gaswinning daar niet vele malen groter. Het verschil zit vooral in de omvang van het gebied: bodemdaling door gaswinning uit het Groningen gasveld is heel uitgestrekt. Het bodemdalingsgebied beslaat de provincie Groningen en delen van de provincies Friesland en Drenthe. Bodemdaling door gaswinning uit het Groningen gasveld is dus verspreid over een groot uitgestrekt gebied, en niet geconcentreerd op één locatie.
In veel gevallen is bodemdaling en bodemstijging niet te voorkomen. Soms wordt water of een andere vloeistof of gas in de ondergrond teruggepompt om de druk in het gesteente waaruit gewonnen is deels te behouden. Daarnaast zijn er maatregelen die helpen om de gevolgen van zowel bodemdaling als bodemstijging te beperken of te verminderen.
Maatregelen aan het aardoppervlak die helpen om schade en overlast door bodemdaling of bodemstijging te beperken of zelfs te voorkomen zijn bijvoorbeeld:
- het aanpassen van funderingen van gebouwen,
- het ophogen van wegen en dijken,
- het aanpassen van (grond)waterbeheer.
Welke maatregel het meest effectief is, hangt onder andere af van de locatie en de oorzaak. Om goed te kunnen bepalen waar en wanneer welke maatregelen nodig zijn, is voortdurende monitoring en goede samenwerking en afstemming tussen verschillende betrokken organisaties vereist.
Ja, bodemdaling kan schade veroorzaken. Vooral als het ongelijkmatig gebeurt, dan kan het aardoppervlak op de ene plek sneller of meer dalen dan op een andere. Hierdoor kunnen gebouwen, wegen en leidingen onder druk komen te staan:
- Muren of funderingen kunnen scheuren krijgen,
- Wegen en leidingen kunnen verzakken en leidingen kunnen kromtrekken of zelfs breken,
- Door veranderingen in het grondwaterpeil kan in laaggelegen gebieden het waterbeheer uit balans raken. Dit vergroot de kans op overstromingen.
Tegelijkertijd hoeft bodemdaling niet altijd schadelijk te zijn. Wanneer bodemdaling geleidelijk en gelijkmatig plaatsvindt, dus over een lange periode en verspreid over een groot gebied, kunnen zowel de bovengrond als de ondergrond zich vaak goed aanpassen. De kans op schade aan gebouwen, wegen en leidingen blijft dan beperkt. Voortdurende monitoring speelt hierbij een belangrijke rol. Door bodemdaling nauwlettend te volgen kan tijdig worden ingegrepen, bijvoorbeeld door aanvullende maatregelen te nemen of bestaande maatregelen aan te passen.
Snelle of plaatselijke bodemdaling of bodemstijging kan wél tot schade leiden. De mate van schade hangt ook af van hoe gebouwen en infrastructuur zijn gebouwd.
Bodemdaling als gevolg van het winnen van delfstoffen op grote diepte, zoals aardgas, aardolie, aardwarmte, grondwater of zout, verloopt doorgaans gelijkmatig en voorspelbaar, waardoor de kans op schade kleiner is.
In Nederland wordt bodemdaling goed in de gaten gehouden. Waar nodig worden maatregelen genomen om schade te voorkomen of te beperken.